Bij meten gaat het om grootheden als lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, temperatuur, tijd en de samengestelde grootheid snelheid. Bij meetkunde gaat het vooral om het verklaren en beschrijven van de ruimte om ons heen. Meetkunde is op te vatten als ‘ruimtelijke oriëntatie in wiskundige zin’. Het kan gaan om activiteiten binnen het platte vlak en met ruimtelijke situaties en voorwerpen.

Paragrafen 4.1 t/m 4.8 gaan over meten.

Paragraaf 4.1 gaat in op wat er komt kijken bij het meten van grootheden. Hierbij komt ook het metriek stelsel aan bod.In de paragrafen 4.2 tot en met 4.8 komen grootheden als lengte en oppervlakte aan bod.

Paragrafen 4.9 t/m 4.14 gaan over meetkunde.

Paragraaf 4.9 beschrijft meetkunde en veelgebruikte meetkundige vormen en begrippen. In de paragrafen 4.10 tot en met 4.14 vind je uitleg en opgaven over verschillende deelterreinen van de meetkunde.

Uitwerkingen

Uitwerkingen opdrachten hoofdstuk 4 boek

Oefenopdrachten

Oefenopdrachten hoofdstuk 4

Toetsopgaven

Per niveau kan je toetsen of je de kennis van het hoofdstuk beheerst. Klik op onderstaande links voor het openen van de toetsopgaven per niveau.

Niveau 1F

Niveau 2F

Niveau 3F